Juvenile, Adult-onset and Monogenic diabetes

diabetes type 1, 2 and 3


Leo Rogier Verberne


Samenvatting



1. Regeling van de bloedsuikerconcentratie
In de alvleesklier monitoren de β-cellen de bloedglucoseconcentratie en houden die constant binnen bepaalde grenzen. Als de concentratie stijgt boven een normaal gemiddelde produceren ze insuline; als hij daaronder daalt, activeren ze de α-cellen tot de afgifte van glucagon. Zo blijven de schommelingen in de glucosespiegel gedurende het etmaal beperkt tot minimaal 4 en maximaal 8 mmol/l. Lichaamsbeweging maakt de glucosepoortjes in de orgaanmembranen gevoeliger voor insuline en bevordert zo de opname van glucose in de organen waardoor de bloedspiegel daalt. Ook de darmen spelen een rol in de regulatie: bij de opname van glucose uit het darmkanaal in het bloed komen uit de darmwand hormonen vrij die de β-cellen in de alvleesklier stimuleren tot de afgifte van extra insuline. Dat is het incretine-effect. De nieren scheiden glucose uit in de urine zodra de bloedspiegel boven de nierdrempel stijgt.

2. Verschillende oorzaken van suikerziekte
Diabetes mellitus of suikerziekte is een groep stofwisselingsstoornissen die worden gekenmerkt door een verhoogde bloedglucosespiegel (hyperglykemie). De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) onderscheidt 60 aandoeningen die hyperglykemie kunnen veroorzaken. In Nederland is in ± 5,5% van de gevallen sprake van jeugddiabetes (type 1 diabetes). Ouderdomssuiker (type 2 diabetes) is bij circa 89% de oorzaak van manifeste diabetes. Een monogen diabetes of type 3 diabetes (MODY)veroorzaakt in circa 5% van de gevallen de verhoogde bloedsuikerspiegel. De 57 overige aandoeningen die gepaard gaan met diabetes vormen slechts circa 0,5% van alle diabetespatiënten; zwangerschapsdiabetes is daarvan de belangrijkste. Type 1 diabetes ontstaat door een auto-immuunreactie die de β-cellen in de alvleesklier uitschakelt. Bij type 2 is de werking van de β-cellen verminderd door een sluipend degeneratieproces . Het ziektebeeld bij type 3 varieert afhankelijk van de ene gen-mutant die de hyperglykemie veroorzaakt.

3. Symptomen van diabetes mellitus
De klassieke symptomen van manifeste diabetes zijn veel drinken en veel plassen van suikerhoudende urine. Daarbij voelen onbehandelde diabeten zich voortdurend moe. Door insulinegebrek is de opname van glucose in de spieren en organen verminderd. Vooral voor de hersens heeft dat gevolgen. Een glucosegebrek in de hersens prikkelt het hongercentrum. Onbehandelde jeugddiabeten eten daardoor veel maar ze vermageren desondanks fel doordat bij hen geen glucose in de organen kan worden opgenomen. Bij latente (dus onbehandelde) ouderdomssuiker of prediabetes is de eetlust ook verhoogd; maar dan ontstaat overgewicht doordat bloedglucose in het vetweefsel wordt opgeslagen zolang er insuline beschikbaar is. Dus overgewicht is niet de oorzaak van diabetes maar prediabetes is de oorzaak van overgewicht. Hypoglykemie ontstaat door een behandelingsfout bij de regulatie. De symptomen zijn grotendeels gelijk aan de verschijnselen van ernstige hyperglykemie doordat in beide gevallen in de hersens een glucosegebrek ontstaat dat de hersenfuncties verstoort.

4. Diabetes en prediabetes
De actuele, nuchtere bloedglucosespiegel varieert normaal van 4,0 tot 6,0 mmol/l; waarden van 6.1-7.0 wijzen op prediabetes ; een glucosespiegel > 7,0 mmol/l geldt als manifeste diabetes . De versuikerde hemoglobinefractie (HbA1c) is een maat voor de gemiddelde bloedglucoseconcentratie gedurende de voorafgaande 2-3 maanden. HbA1c fracties van 43-53 mmol/mol duiden op prediabetes; is de fractie > 53 dan betekent dat manifeste diabetes. Gemiddelde bloedglucoseconcentraties die jarenlang hoger zijn dan normaal, veroorzaken diabetische complicaties. Zo stijgt het aantal gevallen van retinopathie vrijwel lineair met de HbA1c-fractie vanaf 48 mmol/mol. Bijna de helft van de mensen met manifeste ouderdomssuiker heeft op het moment van de diagnose al enige aantasting van het netvlies. Die veranderingen zijn veroorzaakt door de voorafgaande jarenlange prediabetische bloedglucosespiegels. Om het risico op latere complicaties uit te sluiten, dient de streefwaarde bij de diabetesregulatie te worden bijgesteld van de huidige HbA1c < 53 naar < 48 mmol/mol.

5. Differentiële diagnose van diabetes type 1, 2 en 3
De diagnose jeugddiabetes, ouderdomssuiker of mono-gen diabetes (MODY) kan niet altijd worden gesteld op grond van de leeftijd van de patiënt. Als de behandeling van een diabeet moeilijk is in te stellen, moet de eerder gestelde waarschijnlijkheidsdiagnose daarom opnieuw worden bezien. Met (de combinatie van) een aantal laboratoriumtesten kan een betrouwbaar onderscheid worden gemaakt; maar die testen zijn niet allemaal beschikbaar in het huisartsenlaboratorium. Afweerstoffen tegen GAD tonen de auto-immuunreactie aan bij jeugddiabetes. Bij ouderdomssuiker of een mono-gen diabetes (MODY) is die auto-immuunreactie er niet en is de anti-GAD-test negatief. C-peptide in het bloed duidt op eigen insulineproductie: bij ouderdomsdiabeten en mensen met een mono-gen diabetes is C-peptide steeds in het bloed aantoonbaar, bij jeugddiabeten niet. Voor de diagnose MODY 1- 6 is DNA-onderzoek op specifieke gen-mutanten nodig.

6. Behandeling van jeugddiabetes en ouderdomssuiker
Een suikervrij en koolhydraat-arm dieet is al vanaf 1797 toegepast als behandeling bij diabetes. Het heeft minder hoge bloedglucosespiegels tot gevolg maar door insulinegebrek blijft de opname van glucose in de organen onvoldoende of onmogelijk. Ook allerlei kruiden zijn toegepast als therapie, maar ze zijn onvoldoende onderzocht en hun werking is twijfelachtig. Alcohol (zonder suiker) verlaagt de bloedglucosespiegel en regelmatig (maar matig) gebruik kan het manifest worden van ouderdomssuiker een paar jaar uitstellen. Sinds 1922 is uit dierlijk slachtmateriaal insuline geëxtraheerd en bij diabeten ingespoten. Nu worden synthetische insulines gebruikt voor de regulatie van de bloedglucoseconcentratie. Orale farmaca kunnen de glucose-opname in de organen stimuleren, de β-cellen prikkelen tot meer insulineproductie of het incretine-effect versterken.

7. Complicaties op lange termijn
Zorgvuldige regulatie van de bloedglucosespiegel voorkomt het ontstaan van complicaties op lange termijn. HbA1c < 48 mmol/mol is daarvoor de grenswaarde. In Nederland krijgt meer dan de helft van de 1 miljoen mensen met manifeste diabetes op latere leeftijd een of meer ernstige complicaties. Hun levensverwachting is daardoor gemiddeld 5 tot 10 jaar lager. Het is dus slecht gesteld met de diabetesregulatie. Complicaties ontstaan door afwijkingen in de kleine en grote bloedvaten of van bepaalde zenuwen (neuropathie) en ze komen voor in alle organen: van de hersens en de ogen tot de benen en voeten; in het hart, de nieren, de geslachtsorganen; in pezen en gewrichten. Vroegtijdige opsporing en behandeling van prediabetes en een strikte regulatie van de bloedsuikerspiegel zijn noodzakelijk voor een betere en langere levensverwachting.

8. Erfelijkheid en externe factoren
Jeugddiabetes is een erfelijke aandoening die wordt geïnduceerd door omgevingsfactoren; maar zonder afwijkende gen-mutanten in het DNA ontwikkelt zich geen jeugddiabetes. Het risico voor kinderen van een ouder met jeugddiabetes om de aandoening te krijgen, varieert van 1 tot 10%; als beide ouders jeugddiabetes hebben, is dat risico 10 tot 25%.Ook ouderdomssuiker is een erfelijke aandoening die wordt geïnduceerd door omgevingsfactoren, maar andere dan bij jeugddiabetes. Zonder afwijkende gen-mutanten in het DNA ontwikkelt zich geen ouderdomssuiker. Het risico voor kinderen van ouders met ouderdomssuiker om de aandoening te krijgen, is nog onbekend. Een monogen diabetes (MODY 1- 6) is een erfelijke vorm van diabetes die door één dominante gen-mutant wordt veroorzaakt. De kans dat kinderen van een ouder met een mono-gen diabetes de aandoening krijgen is 50%.

9. Epidemie
Het aantal mensen met manifeste diabetes en prediabetes samen is in Nederland naar schatting 1.8 miljoen of bijna 10% van de bevolking. De natuurlijke selectie die aanvankelijk bestond voor jeugddiabetes is in 1922 weggevallen door het beschikbaar komen van insuline. De erfelijke aanleg voor ouderdomssuiker neemt de laatste decennia sneller toe doordat deze afwijkende gen-mutanten in het DNA steeds vaker bij beide ouders aanwezig zijn. De kans dat de kinderen de aandoening krijgen, neemt daardoor enorm toe. Bovendien komt de aanleg de laatste decennia eerder tot expressie door de moderne levensstijl. Bij een monogen diabetes gaat de aandoening van één der ouders over op de helft van de kinderen. Door het bloedonderzoek bij de hielprik van baby’s uit te breiden met DNA-diagnostiek voor diabetes kan de erfelijke aanleg in kaart worden gebracht. Door een dergelijk onderzoek grootschalig uit te voeren, kan de betekenis van elke gen-mutant duidelijk worden. Kennis van de eigen erfelijke aanleg en die van de partner biedt de mogelijkheid om, bijv. door embryoselectie, de kans op het ontstaan van diabetes bij de eigen kinderen uit te sluiten of te verkleinen.

Want niemand wil voor haar of zijn kind een leven met diabetes


return to start  

© Leo Rogier Verberne
ISBN/EAN: 978-90-825495-0-8
www.diabetesbook.org
www.juvenile-diabetes-cure.org


diabetes book Leo Rogier Verberne

Juvenile, Adult-onset and Monogenic diabetes
paperback, 72 pages
price € 14.95
order here